19 juni, 2017

"Van slaapsponsen tot piskijken: een wandeling door het medische landschap van Brugge in de 16de-17de eeuw" door dr. Michel Deruyttere

Op zondagmorgen 23 april 2017 gaf dokter Michel Deruyttere een inkijk in het medische landschap van Brugge 500 jaren terug. In dit artikel vindt u het verslag van zijn lezing die georganiseerd werd door de heemkring Sint-Guthago.  Dokter Michel Deruyttere behaalde zijn diploma in de genees-, heel- en verloskunde aan de KUL in 1968. Hij werd specialist inwendige ziekten, eveneens aan de KUL, in 1973 en was werkzaam als internist in Leuven tot 2005. De geneeskunde evolueert sneller dan ooit tevoren, maar eeuwen geleden was het anders. Dokters en chirurgijnen, zusters en apothekers probeerden krampachtig met beperkte middelen hun medemens een beter leven te geven, te genezen of in het ergste geval een zachte pijnloze dood te laten sterven.

Het boek van Michel Deruyttere, "Markante vrouwen in de geneeskunst", Antwerpen, Houtekiet, 2014, (384 pp.), is een standaardwerk geworden. Het is sedert 2015 ook beschikbaar als e-book. Lang konden vrouwen geen arts worden, want ze hadden geen toegang tot de universiteit. Sommige werden heks, andere verkleedden zich als man om dat beroep te kunnen uitoefenen. Pas eind 19de eeuw komt daar bij ons verandering in. Isala van Diest en Aletta Jacobs werden toen de eerste vrouwelijke artsen, respectievelijk in België en Nederland. Deze baanbrekers slaagden erin het mannenbastion van de geneeskunde eindelijk te doorbreken. "Markante vrouwen in de geneeskunst" verhaalt over een tachtigtal opmerkelijke vrouwen die een spoor hebben getrokken in de geschiedenis van de geneeskunst en -kunde. Dankzij hen vinden wij vrouwelijke artsen normaal. De vrouwelijke winnaars van de Nobelprijs geneeskunde en topvrouwen als Christine Van Broeckhoven, Marleen Timmerman, Catherine Verfaillie, enz. tonen dat er vandaag veel veranderd is en dat de vrouwelijke arts, de verpleegster en de vroedvrouw eindelijk de erkenning krijgen waar ze recht op hebben. Daarnaast gaf Michel Deruyttere heel wat lezingen en gidsbeurten over de geschiedenis van de geneeskunde, met als thema's o.a. markante vrouwen in de geneeskunst, Thomas Montanus, ziek zijn te Brugge, hoe zotten en zieken jaren geleden behandeld werden,enz. Op 22 april 2017, op erfgoeddag, leidde hij nog een wandelingmet als titel: "Barmhartig Brugge Zuid". Ter gelegenheid van haar 25 jaar bestaan organiseert Montanus vzw op zaterdag 11 november 2017 haar lustrumsymposium met als thema: "850 jaar ziekenzorg in Brugge". Bij die gelegenheid zal dr. Deruyttere optreden als sessievoorzitter van sessie III, met als onderwerp: de zorg voor de "vergetenen": blinden- en doofstommenopvang (van Blindekens tot Spermalie), vondelingenen wezenopvang (van Sint-Hubrecht, de Bogaardenschool, Sint Elisabeth … tot de Papnunnen) en ouderlingenzorg (van Godshuis… tot OCMW). De spreker startte dan zijn lezing met het gegeven dat Brugge in de 16de-17de eeuw ongeveer 25 à 30.000 inwoners telde, wat al een kleine terugval was ten opzichte van de vorige eeuw. De gemiddelde levensduur was toen 33 jaar. Dit was vooral te wijten aan de grote kindersterfte. Eens de kinderleeftijd voorbij steeg de gemiddelde levensduur tot 56 jaar. In de middeleeuwen werd ziekte beschouwd als een "straf van God". De geneeskunde had in die tijd weinig te bieden en als remedie kon men bidden en op bedevaart gaan. In de late middeleeuwen waren er wel al chirurgijnen, zoals Jan Yperman, een grote chirurg, die werkte in Ieper. Tijdens de Renaissance ontwikkelde zich dan al een meer wetenschappelijke geneeskunde. De eerste universiteiten warenontstaan in Salerno, Montpellier, Parijs (Sorbonne) en Leuven. In de 16de-17de eeuw, tijdens de Spaanse tijd, waren er in onze streken strubbelingen, strijdgewoel en vrijbuiters. Dit was een goede tijd voor de chirurgijns die zich konden bezig houden met het behandelen van verwondingen. Een voorbeeld van het leven van een arts in die tijd is terug te vinden in het verhaal van Zeno, geschreven door Marguerite Yourcenar, dat zich voor een deel afspeelde in Brugge. In die tijd was er een evolutie en een verandering op het gebied van de anatomie. Dit begon met schilders als Michelangelo, Dürer en Da Vinci, die een goede kennis hadden van de anatomie. Belangrijke geleerden waren Vesalius (anatomie), Harvey (Engeland, fysiologie, de bloedsomloop), Van Leeuwenhoek (fundamenteel onderzoek met de microscoop), Van Helmond (Brussel, fysiologie) en Boerhave (Nederland, anatomie en botanica).

Als men ziek was gebruikte men in die periode eigen huismiddeltjes en kruidengeneeskunde. Zo werden voor het behandelen van wonden de verbanden gedrenkt in wijn. Jan Adornes (1494-1537) had een boekje met remedies tegen diarree. Men kon ook middeltjes gaan kopen in de Kruidenhalle aan het Sint-Amandspleintje, waar nu café "In de Plantenmarkt" zich bevindt. De Kruidenhalle bestond uit kruidenwinkeltjes. Ook op de Markt waren er kruidenwinkeltjes, o.a. waar nu Café Craenenburg is. Er waren mensen die gespecialiseerd waren in het maken van middeltjes. Sommigen werden echter als heks veroordeeld en verbannen uit Brugge of kwamen op de brandstapel terecht. Slachtoffers van heksenvervolging waren vaak vrouwen met kennis van kruiden. Mayken Karrebrouck, die in 1634 verbrand werd als heks, was vroedvrouw en melkventster. Een buurvrouw beschuldigde haar ervan dat haar kind stuipen deed als Mayken binnenkwam met de melk. Ook door de kat van Mayken zou het kind stuipen gekregen hebben en stierf het. Het volgende deel van de lezing ging over de hygiëne in de 16de-17de eeuw die al beter was dan in de middeleeuwen, toen de afvalemmer gewoon door het venster geledigd werd op straat. In de 16de-17de eeuw liepen er in Brugge al buizen naar waterputten. Iedereen in huis waste zich in dezelfde badkuip met hetzelfde water. Vanuit Italië kwamen de slaapkleren en de zakdoeken op. Maar men dacht toen dat als men een vers hemd aantrok men zich dan meer dan 8 dagen niet meer moest wassen. Het gebruik van pommade en de reukappel kwam op om de hygiëne te verbeteren. Op het einde van de 16de eeuw werden de badstoven gesloten. Op een balksleutel op het stadhuis van Damme is een badstove afgebeeld. De Brugse arts, stadsgeneesheer en hoofdarts van het Sint-Janshospitaal, François Rapaert (ca. 1510-1587) was tegen de badstoven gekant omdat het baden daar tot problemen leidde. Men ging daar naartoe voor wellustigheid en het veroorzaakte ziekten.

In deze periode was er de ontwikkeling van de bril en de aanpassing van de voeding. Robert Van den Berghe (Diksmuide), arts en de vader van Thomas Montanus, schreef een boek over dieetleer. Tot dan was de medische wetenschap gebaseerd op de theorie van Galenus die bestond uit een evenwicht van de 4 humores (lichaamssappen): bloed, gele gal, zwarte gal en slijm (of phlegma). Als dit evenwicht verstoord was, werd men ziek. Men deed vaak een beroep op de astrologie: delen van het lichaam werden gelinkt aan de tekens van de dierenriem. Elk jaar werd een nieuwe almanak gemaakt waarop stond wanneer men wat moest doen. Pieter van Bruhesen (Bruhesius) uit Brugge, die lijfarts was van de dochters van keizer Karel V en stadsgeneesheer van Brugge rond 1530, maakte zulke almanakken. Cornelis Schuute (overleden in 1580), die werkte in het Sint-Janshospitaal, gaf ook enige kalenders uit, maar hij botste met Bruhesius. Ook François Rapaert maakte almanakken. Hij had een andere visie en het gevolg hiervan was dat de chirurgijns niet meer verplicht werden om de almanak te volgen. Dan had dr. Deruyttere het over de zorgverstrekkers uit die tijd. Hiervan staan er een aantal afgebeeld op een schilderijtje dat zich in de kerk van Meetkerke bevindt. In deze kerk hangen een aantal mirakelschilderijtjes die begoede personen lieten maken. De meeste zorg werd thuis toegediend. Het waren toen alleen de armen die in het Sint-Janshospitaal terecht kwamen. De zorgverstrekkers waren: vroedvrouwen, barbiers, chirurgijns, medici en kwakzalvers. De verpleging aan huis gebeurde door cellebroeders en kastanjeboomzusters (Zwarte zusters). Het beroep van vroedvrouw was erkend sinds de 14de eeuw. In 1551 diende een vroedvrouw in Brugge de eed van vroedvrouw af te leggen. Dit was een soort deontologische code. De opleiding tot vroedvrouw duurde drie jaar. De bevallingen gebeurden thuis waardoor er minder risico's op infecties waren dan in een hospitaal in die tijd. De Brugse stadschirurgijn Cornelis Kelderman (1632-1711) schreef een boekje voor vroedvrouwen. Dit was het eerste in het Nederlands.

Wat de barbiers en chirurgijns betreft was er in 1302 de gilde van de baert(de)makers en in 1427 de corporatie van de chirurgijnsbarbiers. In de 15de-16de eeuw kwam er een splitsing tussen de beide ambachten. De opleiding tot chirurgijn duurde 2 jaar. Dechirurgijns behandelden blaasstenen, liesbreuken (toen "gescheurdheden" genoemd), wonden en abcessen. Zij voerden ook amputaties uit, extraheerden kogels uit het lichaam en zetten spalken. Frère Jacques, een bekende Franse specialist in blaasstenen,monnik en reizende steensnijder, is in de 17de eeuw in Brugge geweest. Als anesthesie gebruikte men een "slaapspons" die gedrenkt werd in een papaveroplossing. Een speciale functie was het medionaat. Dit was een chirurgijn die aangesteld werd om de beul te assisteren. In 1636 werd in Brugge het Godshuis De La Fontaine gesticht door Graaf Paul-Bernard de la Fontaine om soldaten te behandelen of bij ontstentenis voor bejaarden in nood. Graaf de la Fontaine (1576-1643) was opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden en was tevens hoogbaljuw van Brugge en het Brugse Vrije.

Een praktijk die in die tijd veel toegepast werd was het geven van lavementen. Ook het aderlaten werd veel gedaan om het evenwicht tussen de humores terug te herstellen. Op het lichaam waren er verschillende aderlaatpunten. Het aderlaten werd soms ook gedaan met zuignappen of met bloedzuigers. Het afgetapte bloed werd naar de bloedput gebracht. In Brugge is er nog een spoor van de bloedput te vinden. De chirurgijnen groepeerden zich in de gilde van Cosmas en Damianus. Een afbeelding hiervan is te zien op een fronton van het huis van dr. Sebrechts in de Oude Zak te Brugge. De chirurgijns in Brugge kregen hun opleiding in het Steen op de Burg. Daar moet toen een anatomisch amfitheater geweest zijn. Hier zijn echter geen sporen meer van terug te vinden. De chirurgijns in opleiding kregen tweemaal per week les. Jan Pelsers was een pestdokter in Brugge in de 16de eeuw. Pestdokters kregen een rode mantel. Jan Pelsers woonde waar zich nu hotel Montanus bevindt. Hij heeft een boekje in het Nederlands geschreven bestemd voor de chirurgijns en gaf een kort werk van Vesalius uit in Brugge. De medicus behoorde tot een andere categorie dan de chirurgijn. Hij was een intellectueel, terwijl de chirurgijn een handwerker (ambachtsman) was. In de 16de eeuw waren er in Brugge 55 medici. De medicus had gestudeerd aan de universiteit in Leuven, Douai, Parijs of Italië. Zijn bijscholing gebeurde in Brugge via een winkeltje met wetenschappelijke lectuur en via de bibliotheek in de kathedraal. Medici deden zelf ook aan onderzoek. Hoe ging een medicus te werk? Hij deed een anamnese (ondervraging van de patiënt) en voelde de pols. Het belangrijkste middel om een diagnose te stellen was het piskijken. De diagnosewerd gesteld aan de hand van de kleur, de geur en de consistentie van de urine.  Op een paneeltje in Gruuthuse staat een patiënt met aambeien afgebeeld. Ziekten die in de 16de eeuw vaak voorkwamen waren lepra, Spaanse pokken, syfilis, "sweetziekte" en moeraskoorts. Thomas Montanus was een medicus die van Diksmuide afkomstig was en gestudeerd had in Leuven. Hij kwam naar Brugge om in het Sint-Janshospitaal te gaan werken. Hij had toen een ruime ervaring en beschikte over een goed organisatietalent. Hij heeft drie pestepidemieën meegemaakt. In 1665 stichtte hij de Sint-Lucasgilde om het beroep te beschermen tegen kwakzalvers en in 1666 werd hij benoemd tot hoofdverantwoordelijke van de pas opgerichte “Kamer van Gezondheyd”. In 1669 schreef hij een boek over de pest: "Pestis Brugana". Zijn borstbeeld staat op de binnenkoer van het Oud Sint-Jan.

Michel Deruyttere besloot zijn lezing met een kort overzicht van enkele markante vrouwen in de geneeskunst in Brugge, te beginnen met de "heksen" Mayken Karrebrouck en Morence van Hercle. Deze laatste had de beste huisapotheek van Brugge. In 1635 werd ze echter aangehouden wegens hekserij en verbannen uit Brugge. Zuster Verbeke van de apotheek van het Sint-Janshospitaal schreef in 1751 een receptenboekje (het Winckelbouck). Zuster Lutgarde Zoë Spillaert (1881-1971) was

verpleegster en overste in het Oud Sint-Jan van 1918 tot 1955. Yolande Lamoral (1899-1989) was de eerste vrouwelijke kinderarts in West-Vlaanderen. Toen zij geneeskunde wilde gaan studeren werd zij in Leuven geweigerd door de rector en zij moest hiervoor toen naar Zwitserland. Nadien kon zij wel terecht in de universiteit van Gent. Vervolgens werd ze kinderarts in Parijs. Daarna kwam zij naar Kortrijk om daar een praktijk te beginnen. 

Artikel uit Sint-Guthago Tijdingen nr 478