19 juni, 2017

Maandag zomerwandelingen “Van vissersdorp tot badplaats”

Iedere maandag in juli en augustus om 14 uur organiseren we de gezinsvriendelijke wandeling in Heist “Van vissersdorp tot badplaats” met nadruk op de verdwenen visserij.  Samen gaan we op zoek naar de sporen van onze vissersgeschiedenis en uiteraard komt de belle époque ook aan bod.  Inschrijven is wenselijk maar dus niet verplicht.  De wandeling start met een korte inleiding in Museum Sincfala en loopt dan door Heist en eindigt met een drankje op het strand van Heist. Kostprijs is €7 en voor kinderen tot 6 jaar gratis.  Deze wandeling is de kans om de expo "Heistse visserij 1850 - 1930" te ontdekken. We keren we terug naar de 19de en begin 20ste eeuw om u een blik te gunnen op de Heistse vissers en hun leven en werken. Ontdek en proef opnieuw het zilte op de lippen van onze stoere zeebonken via vissersliederen die u begeleiden tijdens uw bezoek.

 

1     De evolutie van de Heistse vissersvloot

In de Romeinse periode werden de Menapiërs, een Keltische volksstam, in de kuststreek als vissers bestempeld. Ze beperkten zich tot strand- en kustvisserij.

In Zuid-Engelse toldocumenten van 1305 werd reeds melding gemaakt van vissers uit o.a. Heist.  

Onder het bewind van Keizer Karel (1519-1556), bereikte de parochie Koudekerke-Heist haar hoogste bloei. Het grootste deel van de bevolking was betrokken bij de zeevisserij, hetzij als reder, stuurman, matroos, scheepsjongen, visbewerker of vishandelaar. In de 16de eeuw werd de ‘groote visscherie’, het vissen in volle zee, vooral beoefend door de grotere zeehavens zoals Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke. De ‘cleene visscherie’, het vissen in kustwateren, werd beoefend door Blankenberge, Wenduine en Heist.

Maar in het derde kwart van de 16de eeuw startte de Tachtigjarige Oorlog die ook de Heistse vissersgemeenschap raakte. Door de strijd rond het versterkte Sluis, leed de omringende streek zware schade. De meeste Heistse vissers weken naar Zeeland uit. In Heist lieten ze een armoedig dorp achter, waar de vissersnering totaal vernietigd was. Dankzij het Twaalfjarig bestand (1609-1621) slaagde de parochie Koudekerke-Heist erin om zich enigszins weer op te richten. Omdat de Heistenaars niet over visschuiten beschikten, trokken ze geen inkomsten uit de vissersnering. Ze verdienden hun kost als strandvisser of landarbeider.

Maar in de 18de eeuw kwam er verbetering. In de telling van 1748 was er weliswaar nog geen enkel gezinshoofd vermeld als zeevisser maar in 1755 hadden een paar Heistenaars de middelen gevonden om visschuiten uit te reden. In 1760 had Heist terug drie sloepen en op 12 december verleende de Oostenrijkse overheid een octrooi, dat Heist erkende als vrije vissersplaats. Dankzij die maatregel kon de vissersnering zich vlugger uitbreiden. In 1780 telde de Heistse vissersvloot al acht boten en bij de volkstelling van 1814, tijdens de Franse bezetting, telde Heist 532 inwoners waarvan 49 vissers. In 1837 waren er reeds 12 schuiten met ca. 60 vissers en in 1849 werden er 20 schuiten geteld. Omdat Heist niet over een haven beschikte, moesten ze bij hoog water zo ver mogelijk op het strand varen en zich daar vastankeren.

Midden 19de eeuw kwam het kusttoerisme ook op gang in Heist. Hierdoor kwam er in 1857 een politiereglement betreffende het zeebaden. Maar dat reglement verbood echter de Heistse visser ook om gedurende het toeristisch seizoen hun sloepen te stranden op de Vierhoek die reikte van het Hotel du Phare tot het Hotel de la Plage. Die lag recht voor de dorpskom en was de officiële badplaats. Die verordening verplichtte de vissers om tijdens het badseizoen te meren in de sector ten noorden van het Oostdorp. De vissers verhuisden dan ook tegen het einde van de 19de eeuw naar het Oostdorp, de huidige Vissersstraat.

Op het einde van de 19de eeuw kwam de opkomst van de garnaalvisserij. In 1888 waren er twee schuiten die op garnalen visten en in 1907 zou iedere Heistse schuit op garnaal vissen gedurende een bepaalde tijd van het jaar. Anselmus Vantorre was de eerste Heistse visser die z’n schuit aanpaste om op garnalen te vissen.

In 1870 deed het gemeentebestuur een eerste poging om een schuilhaven in Heist te krijgen. Die zou bestaan hebben uit een lang strandhoofd. Maar de stenen dijk werd doorgetrokken tot het Kursaal, zonder dat een landingskaai voor sloepen gebouwd werd. Begin de 20ste eeuw werd nog een poging ondernomen om een schuilhaven te bouwen aan de oostkant van de badstad maar de werken aan de haven van Zeebrugge waren reeds aangevat. In 1907 kende de Heistse visserij zijn grootste bloei met 66 schuiten en 243 bemanningsleden.

Maar 1907 was ook het jaar dat de haven van Zeebrugge feestelijk werd ingehuldigd en stilaan verdwenen jaar na jaar de schuiten van het strand van Heist. De Zeebrugse haven had een houten steiger die in de volksmond ‘barcadère’ werd genoemd. Omdat de barcadère twee niveaus had, kon hij met hoog en laag water gebruikt worden. Vanaf 1908 begon men ook sloepen met scherpe kielen op de scheepswerven te bouwen omdat de schuiten niet meer op het strand dienden te stranden. De meeste Heistse schuiten schuilden vanaf toen in de Zeebrugse vissershaven en wisselden de H voor de Z op de zeilen en de kop. In 1912 maakten meer dan 40 Heistse schuiten gebruik van de schuilhaven. Tussen 1914 en 1918 verbleven de meeste Heistse schuiten met hun bemanning en gezinnen in neutraal Nederland in het havenstadje Zierikzee. Allemaal kwamen ze terug nadat de Eerste Wereldoorlog afgelopen was. In 1921 waren er al 80 Heistse schuiten in Zeebrugge aangemeerd. Begin jaren ‘30 telde de Zeebrugse vloot 110 eenheden waarvan de meeste nog steeds ingeschreven stonden in Heist. In 1945 hield men er mee op om Heistse nummers aan de vaartuigen te geven en waren alle schepen uitgerust met een Z. Nog een lange tijd bestonden de bemanningen van Zeebrugse schepen uit vooral Heistse vissers maar wanneer in 1971 Heist en Knokke fuseerden, was er van ‘echte’ Heistse vissers geen sprake meer.

 

2     Het leven van de Heistse visser

2.1    Het leven als visser aan boord

 Het romantische vissersleven was eerder mythe dan werkelijkheid. Het was een hard bestaan. In de 19de eeuw verbleef de Heistse schuit meestal niet langer dan zesendertig uren op zee. Als de reis toch langer duurde, sliep men meestal om beurt in de roef of op het dek. De maaltijden aan boord waren meestal karig en bestonden uit brood, smout, gekookte of gebakken vis. Maaltijd en koffie werden in dezelfde ketel klaar gemaakt.

De visser droeg extra veel kledij als isolatielaag om zich te beschermen tegen de gure stormwind en het ijskoude water. Men droeg soms vier broeken bij heel koud weer. De bovenste broek noemde men in de volksmond een caleçon en was rood van kleur. Aan z’n voeten droeg hij drie paar kousen en witte klompen. In de zomer zag men de visser in een gestreept hemd met daarop een vestje met mouwen in zwarte lakenstof. Daarboven droeg hij ofwel een wollen trui of een rood flanellen hemd en ’s winters kwam er een grote blauwe flanellen vest bij. Bij koude en regen droeg hij ook nog een oliemantel en zuidwester.

Men vertrok meestal op maandag bij hoogtij omdat vermeden werd om op zondag te varen. Aan boord waren meestal vijf personen. Een oudere man die eigenaar of reder was en als stuurman fungeerde, twee of drie volwassen vissers en een lavertje (leerjongen). Omdat men meestal op het einde van de week terug aan land was, mocht op zaterdag het lavertje de schuit reinigen en de voorbereidingen treffen om maandag opnieuw op zee te gaan. Hij vulde dan opnieuw het drinktonnetje met zoet water en zorgde dat er enkele bussels hout, koffie en kaarsen aan boord waren. Een lavertje ging vanaf z’n 12 jaar mee op een schuit.

Het vissersleven was hard omdat bij stormweer de schuiten overgeleverd waren aan de woelige zee. Vooral bij hun vertrek vanop het strand konden de schepen bij slecht weer tegen elkaar aan beuken zodat er schade ontstond. Het was dan aan het lavertje om zo snel mogelijk het water uit de schuit te scheppen. Bij zeer slecht weer kon ook niet uitgevaren worden zodat er ook geen verdienste was. Maar ook in de winter verkozen veel vissers om hun schuiten enkele maanden in de duinen te parkeren.

2.2    Het vissersgezin

 De visser leefde met zijn gezin in een klein huisje. Het huis had een kleine woonplaats met een hoogkamertje, een kleine keuken met een voortuintje waarin een bergplaats en een varkensstalletje terug te vinden was. Ze leefden met zes à zeven in het vissershuisje en er was een hoge kindersterfte. 40 van de 161 geborenen stierven voor ze de leeftijd van één jaar bereikten. Dat is een hoog cijfer maar in vergelijking met Oostende deed Heist het nog zo slecht niet. Mogelijke verklaringen voor de zuigelingensterfte bij de vissers zijn de barre klimaatwisselingen, een gebrek aan hygiëne, armoede, fatalisme en het huwen binnen de eigen gemeenschap. De leeftijdsverwachting van een visser lag bijzonder laag. Slechts 10% van de vissers werd ouder dan 50 jaar terwijl in de nijverheidssectoren iemand 15% kans had om ouder dan 50 jaar te worden.

De visser verdiende een gemiddeld loon van 600 frank per jaar. Een beginnend onderwijzer verdiende 1.200 frank per jaar. Wanneer de man aan het vissen was, zorgde de vissersvrouw voor het huis, de geldzaken, het lapje grond met groenten en kleinvee, de kinderen, het breien van netten en de dagdagelijkse beslommeringen. Als ze niet op zee waren, gingen de mannen knikkeren, boogschieten en vogels stropen. De kledij van de vissersvrouw verschilde naargelang haar leeftijd en was sober van kleuren. Jonge meisjes droegen een blauwe jurk met een zwartbegijnen mutsje. Tegen hun veertigste trokken ze de traditionele Vlaamse kledij aan en droegen ze een witte muts met vleugeltjes, een oranjerode neusdoek en een zwart laken kapmantel.

Daarnaast telde Heist meer dan 80 herbergen voor 200 vissers waardoor het alcoholgebruik bij sommige ook problematisch was. Op maandagmorgen was de visser soms zo beschonken dat hij het sein voor vertrek naar zee niet hoorde. Het was dan de vrouw die moest zorgen dat manlief op tijd aan boord geraakte. Lukte dat niet, mocht de visser zich aan een zware strafmaatregel verwachten. Hij werd dan geschrapt als visser op de vissersrol en mocht voor een periode van 6 weken tot één jaar niet vissen. Indien de visser weerspannig was, kon hij definitief geschrapt worden. De vissersvrouw had er dus alle belang bij haar man op tijd bij de schuiten te krijgen, zo niet kwam het inkomen in het gedrang.

 

3     Visserijonderwijs in Heist

In oktober 1904 kreeg pastoor Froidure de toelating om in de nieuwe gemeentelijke school van 1899 in de visserswijk een Vrije Avondvisserijschool te stichten. Het lesprogramma bestond uit een reeks theoretische vakken zoals lezen van zeekaarten en kompas, koersverordeningen, log en lood, lichten en vuren, uitliggers en boeien. Er waren ook praktische vakken zoals het knopen leggen, netten breien en zeilen naaien.

Tot 1925 was er les op zaterdagmiddag en zondagmorgen. Daarna werden de lessen uitgebreid tot een echte avondschool voor jongens van 13 tot 17 jaar. Na het tweede jaar werden de jongens toegelaten tot het laversexamen, waarna zij stage mochten lopen op een vissersboot. In het begin van de jaren ‘30 moesten de vissers een bekwaamheidsgetuigschrift hebben om op zee te mogen gaan. Later verving een brevet het getuigschrift. Dat gaf aanleiding tot een snelle groei van het aantal leerlingen tot meer dan 100. De Tweede Wereldoorlog verhinderde een snelle oprichting van een Vrije Visserijdagschool. Die kwam er pas in september 1947. In 1957 verhuisde de school naar een gebouw in de Kerkstraat.  In 1947 ging een Rijksvisserijschool van start in het zogenaamd Kasteeltje in de Kursaalstraat. Bovendien volgden vele Heistse kinderen de visserijschool in de IBIS (Oostende), waar zij op internaat verbleven. Die school, waar de jongens met militaire dril werden opgeleid, was betaalbaar voor vele Heistse vissers.

Door de grote evolutie in de vaartuigen, de visserijtechnieken, de navigatie-apparatuur, de motoren, de wetgeving en reglementering, werd de visserijopleiding er vanaf de jaren 1960 niet gemakkelijker op waardoor er steeds minder geïnteresseerden waren om visser te worden. In 1978 fuseren de Vrije Visserijschool en de Rijksvisserijschool van Heist onder de naam Visserijschool van de Vlaamse Gemeenschap. Die naam werd nog gewijzigd in Provinciaal Maritiem Instituut vooraleer het werd opgedoekt in 2005.

                                                                                           

4     Geloof en bijgeloof

De vissers werden voortdurend geconfronteerd met extreme natuurkrachten en rampen. Om dit alles tot een goed einde te brengen, waren ze vaak afhankelijk van het lot. Die voortdurende angst en de afhankelijkheid van de natuurelementen werd een kweekvijver voor typische visserstradities. Zo bestonden er tal van voorwerpen die geluk zouden brengen of het noodlot zouden tegengaan. De meest bekende is de zwarte kat. Die bracht onheil. Maar ook raven en bruinvissen rond het schip betekende niet veel goeds. Dan was er storm op komst. Andere dieren brachten dan wel geluk. Kippen werden beschouwd als windbrengers maar ook wanneer de schipper op weg naar zijn schip een kudde schapen doorkruiste, was dit een goed voorteken.

4.1    De Roesschaard

Een bekend fenomeen was de Roesschaard. De Roesschaard werd overal gevreesd, maar vooral bij de vissers aan de Oostkust. Het is moeilijk om een eenduidige beschrijving van het monster te geven. De Roesschaard kon immers verschillende gedaanten aannemen. Volgens sommige vissers had hij ‘een vuile rosse baard, groene ogen en duivelshoornen’. Hij kroop aan boord van schepen, maar kon even goed tussen de gevangen vis zitten. Dan kwam hij boven zodra de vissers hun net bovenhaalden. Met een verschrikkelijke lach scheurde hij het net open. Om te voorkomen dat hij je naam riep en meetrok naar de diepte, kregen veel vissers een lapnaam. Het geven van een lapnaam was een gebruik dat bekend was aan de hele Belgische kust. Het verhaal deed zelfs de ronde dat je nooit je echte naam, maar wel je lapnaam moest roepen als de zeeduivel Roesschaard vroeg hoe je heette. Zo kon je hem verschalken.

4.2    Lapnaam

Maar in feite had het geven van een lapnaam vooral een praktisch nut. De vissersbevolking was een zeer gesloten gemeenschap en had weinig contacten buiten het eigen milieu, zodat de jonge mensen van de vissersfamilies heel vaak onderling trouwden. Zowat iedereen was familie van iedereen en niet alleen dezelfde familienaam kwam veel voor. Ook waren toen niet zoveel voornamen als nu. Het was dus handiger om iemand met zijn bijnaam te noemen. Zo wist je meteen over wie het ging. Meestal werden lichamelijke kenmerken of gedrag van een persoon gebruikt om een naam te kiezen. Maar ook uitspraken konden aanleiding geven tot een lapjesnaam. Zo waaide ooit door een briesje André Vandierendock z’n muts van zijn hoofd en riep hij: ‘Oei m’n mutse, het is dan nog mijn beste mutse’. Sindsdien ging André Vandierendonck als ‘Beste Mutse’ door het leven.

4.3    Visserskapelletje

Dat geloof en bijgeloof mekaar overlapten, bewees het visserskapelletje. Wanneer in 1854 reder Cornelius Bassens en pastoor RH. Nounckele een kapel lieten bouwen in de duinen langs de visserswegel, de huidige Vuurtorenstraat, oefende het 18de eeuws O.L.V. beeldje van Bassens een grote aantrekkingskracht uit op de vissersfamilies. Maria was de lichtende ster voor de moedige zeelieden. Het visserskapelletje werd een plaats van verering en gebed, troost bij het verlies van een verwante op zee en dank bij een wonderbare redding. In 1868 moest de kapel afgebroken worden voor de nieuwe spoorweg maar in 1892 bouwde de metser Jacob Demeulenaere uit Heist, in opdracht van aannemer Leopold Willems uit Brugge, een nieuwe bidplaats op een andere locatie voor 3.500 frank. De bouw werd bekostigd met het onteigeningsgeld van de eerste kapel. In de kerk deed men een omhaling waarbij reders en veel arme vissers, alsook de badgasten, milde giften gaven. Het werd een ranke neogotische kapel, opgetrokken in rode bakstenen met witstenen paramenten. Tegen de rechter zijgevel werd een kaarsenhuisje aangebouwd. Links in de kapel stond het beeld van de H. Petrus, patroon van de vissers. Het altaar is nog steeds bijna altijd bedolven onder bloemen en kransen. Sedert lang werd ieder jaar in de zeewijdingsprocessie van 15 augustus het O.L.V. beeldje door de pastoor meegedragen, begeleid door de vissers. Tijdens de zeewijding gedenkt men de op zee gebleven vissers en smeekt men bescherming af. Een pastoor zegent de zee hierbij.

4.4    Paasnagels

Het plaatsen van paasnagels bij een doop van een vissersvaartuig was een typisch gebruik aan de Oostkust. Omdat vissers vele gevaren op zee dienen te trotseren, wilden ze ‘iets’ aan boord hebben dat de goddelijke bescherming over schip en bemanning symboliseerde en bevestigde. Dat ‘iets’ verwees naar het dorp en naar vrouw en kind die ze thuis hadden achtergelaten. Zo vond het gebruik ingang om de paasnagels van de kaars die in de kerk had gebrand op de cruciale levensmomenten van vele dorpsgenoten, in kruisvorm aan te brengen op het schip.

 

5     Rampen

De woeste Noordzee heeft de Heistse vissers nooit gespaard van onheil. Veel tragische ongevallen hebben tot enorm veel menselijk leed geleid. Zo kwam op 8 oktober 1850 een plotse storm op waarbij stuurmanreder Jan Ghezelle overboord werd geslagen, hij bleef voor altijd vermist. Bij het lichten van de vleet op 1 januari 1877 werden de vissers Louis Vandierendonck en Constant Verbeke door een geweldige storm overboord geslagen en nooit meer teruggevonden. Sommigen hadden geluk bij een ongeluk. Op 6 maart 1883 werd een schuit omvergeslagen en alle aan vissers die aan boord waren, kwamen om, uitgenomen één visser. Pieter De Waele alias Pier van Schele Jans had zich aan boord vastgebonden en wanneer de schuit met de kiel omhoog het strand opdreef, kon hij door op de wand te kloppen, gered worden via een gat die geboord werd in de romp.

 

6     De Heistse schuit

Voor de kustvisserij werd in Heist in de 19de eeuw houten zeilschepen met platte bodem in nootvorm gebruikt. Aan beide zijden was er een houten zwaard om afdrijven en omslaan te voorkomen. De vissers van Heist zouden de Blankenbergse schuit nagebouwd hebben. De Heistse tweemastschuit werd tot 1870 op dezelfde wijze als de Blankenbergse gebouwd. De Blankenbergse en Heistse schuit was emmersgetuigd. Een emmerzeil is een trapeziumvormig zeil dat met een ra omhoog en omlaag gebracht moet worden. Dit gold zowel voor de fok (vierkant voorzeil) als voor het grote zeil (rechthoekig). De ra werd niet in het midden opgehangen en hing ook niet waterpas. De ra is het dwarshout dat op zeilschepen dwars op de mast bevestigd is en waaronder een zeil gevoerd wordt.

Het grote verschil tussen de Heistse schuit en de platboomde vissersvaartuigen van de andere Vlaamse vissersplaatsen aan de Westkust moet gezocht worden in de wijze waarop het tuig werd geplaatst. Elders waren de schepen ‘kottergetuigd’. Een kottergetuigd schip heeft één grote mast waaraan meerdere driehoekige zeilen werden bevestigd. Deze zeilen worden in de lengterichting van het schip gevoerd. Dit is handiger te hanteren en doeltreffender bij het laveren.

Vanaf 1870 werd de Heistse schuit doorgaans iets korter gebouwd dan de Blankenbergse schuit. De verklaring is dat de Heistse vissers zich vanaf toen geheel op de garnalenvangst gingen toeleggen. Gezien de weinige diepgang die de Heistse schuit had, hoefde men geen zandbanken te vrezen. Zij konden op het strand landen wat aan het Heistse strand een zeer aantrekkelijk en schilderachtig aanzien gaf. Rond 1890-1900 werd de typische Heistse schuit ook kottergetuigd en kreeg het een boegspriet. Omdat het kottergetuigd was, kon het meer snelheid halen en dat was nodig om het schrobnet op een succesvolle manier te gebruiken.

6.1    Open Vaartuig

De Heistse schuit was een open vaartuig. De ruimte binnendeks bestond uit drie delen: vooraan de roef, achteraan de plecht en daartussen de put. Alleen het voorste deel, de roef, was overdekt. Via een schuifdeur moest de visser zich daar naar binnen wringen. Deze ruimte diende als kook-, slaap- en bergplaats. Aan beide zijden tegen de scheepswand was er een klein rustbed. In de kop van de schuit bevond zich een kolenbak. Het was Frans Van Torre die als eerste een kachel aan boord had en de oudste vissers vertelden in het rond dat de bemanning ooit eens verkoold in het roef zou gevonden worden... Vlak bij de voorsteven was een dikke plank, waarin de voet van de fokkemast steun vond. De put, het niet overdekte gedeelte was het centrale deel van de schuit. Daar was de grote mast bevestigd.

Het verhoogde achtergedeelte diende om de vangst te bewaren. De visbak was 2 meter lang en was van binnen met zink beslagen en met een houten deksel afgesloten. De visbak werd in drie vakken verdeeld. Er was een tongvak, een scharren-, wijtingen-, tarbotten- en ponenvak en het derde en grootste vak werd voorbehouden voor schollen. In het achtergedeelte was er ook nog het kotje dat werd gebruikt als bergplaats voor het kompas, de lantaarn, de misthoorn, het handlood, de bootsriemen en een gieter om bij droog weer de zeilen nat te houden. De bovenkant van het kotje was tevens de zitbank voor de roerganger.

Het handlood werd gebruikt voor het bepalen van de waterdiepte. Via een lange lijn werd het overboord gegooid en gevoerd tot op de bodem. Na het ophalen wordt de waterdiepte op de lijn afgelezen. Het was een onfeilbaar middel om voor gevaarlijke ondieptes te waarschuwen. Vandaar het oud zeemansgezegde: Wie een goede loods wil zijn, spaart lood noch lijn.

Het roer stak een heel eind onder de bodem uit. Het moest dan ook zeer beweeglijk en gemakkelijk hanteerbaar zijn, want bij elke landing en ook bij ondiep water diende het opgetrokken te worden. Het roer bestond uit twee planken van ongelijke lengte. De langste werd schacht genoemd, de andere plank noemde de hiel. Schacht en hiel werden door twee dwarshouten verbonden. Het roer hing aan de achtersteven en werd in beweging gebracht door een eikenhouten helmstok van 2,30 meter lengte.

6.2    De bouwmethode

De bouwmethode van zo’n schuit was gedurende vele eeuwen ongewijzigd en er bestonden weinig of geen tekeningen. Er werd meestal ‘uit het handje’ gebouwd. De eerste Heistse schuiten werden in Brugge gemaakt en over Oostende naar Heist gebracht. Rond 1860 opende reder Cornelius Bassens een scheepswerf in Heist, die verder gezet werd door zijn aangenomen zoon Petrus De Groote, alias Pietje Bassens. Deze werd op zijn beurt opgevolgd door zijn zoon Frans De Groote tot in 1907. Emiel Haerinck was meestergast op de werf Bassens, maar bouwde af en toe een schuit voor eigen rekening. Wanneer een schuit door Haerinck was afgewerkt, zocht hij schippers die ze tegen een in gezamelijk overleg vastgelegde som, overnamen en afverdienden. Het bouwen van een schuit nam gewoonlijk drie maanden in beslag en kostte 3.500 frank. Voor zeilen en tuig betaalde men hetzelfde bedrag. Kleinzoon Gustaaf Haerinck bouwde later zijn eigen werf in Zeebrugge.

De schuit was gemaakt van olmehout dat snel rot in zoet water maar in zout water lang stand houdt. De spanten waren uit eikenhout. De romp was geteerd en dit werd periodiek herhaald op het strand. De lengte van de schuit varieerde van elf tot twaalf meter en de breedte van 4,80 tot 5 meter. De sierlijk gebogen voorsteven was van een beschermingsijzer voorzien om beschadiging bij het stoten te voorkomen. De wanden waren in karveelwerk opgebouwd. De barden lagen dakpansgewijs over elkaar.  

6.3    Ankers

Aan boord waren minstens vijf ankers. Een groot rijanker om de schuit bij het stranden in vlot water te houden of bij stormweer het schip in zee te ankeren. Twee voorankers om te beletten dat de gestrande schuit met het wegebbende water af kon drijven en twee waarloze ankers die gebruikt werden als reserve. De ankers lagen vast aan ankertouwen. Aan het anker zaten dubbele blokken of tweeschijfsblokken, gemaakt van hout en ijzer. Dankzij deze blokken kon men, nadat het anker op het strand was gelegd, de schuit zo ver mogelijk op het strand trekken.

6.4    Gemotoriseerde vaartuigen

In 1908 werd door Frans Van Torre voor de eerste maal een Heistse schuit uitgerust met een hulpmotor. De H 70 kon vijf à zes knopen varen. Ook de platbodems verdwenen door de nieuwe haven van Zeebrugge en alle nieuwgebouwde schepen hadden een kiel. In 1920 waren er reeds zeven kielvaartuigen met een motor en in 1936 was de motor een feit op alle vaartuigen.

 

7     Uit de zee tot op het bord

Er werd aan kustvisserij gedaan en die kon opsplitst worden in winter- en zomervisserij. Niet iedereen deed aan wintervisserij waardoor sommige schuiten 6 maanden lang in de duinen lagen. De Heistse vissers gebruikten verschillende technieken om te vissen.

7.1    Wintervisserij

Wie ’s winters wel viste, deed dit met de ‘staakvleet’. Dit zijn netten die loodrecht in het water stonden. Onderaan werden ze met lood verzwaard en bovenaan zorgde de kurk ervoor dat het net drijvende bleef. Om de twee dagen werden de netten opgehaald. Op deze manier werd meestal kabeljauw gevangen. Een dergelijke manier van vissen had het voordeel dat de visser niet bij de netten hoefde te blijven en aldus met zijn schuit terug aan wal kon komen. Deze methode van vissen werd toegepast tot 1888.

7.2    Zomervisserij

De zomervisserij begon rond Pasen en eindigde rond Allerheiligen. Men scheepte maar éénmaal in per jaar en dat was op Allerheiligen. Die dag werd dan ook ‘verscheepsdag’ genoemd. De stuurman van iedere schuit was dan verplicht zich te begeven naar de Commissaris van het Zeewezen die zich in het stadhuis van Heist bevond. Daar gaf hij informatie over het nummer en de naam van de schuit, de tonafmeting, de naam van de reder en de bemanning. Als je als bemanningslid voor verscheepsdag wilde wisselen van schuit, kreeg je het kordeelgeld van de reder die tot dan toe steeds jouw aandeel van de verkoop van de ondermaatse vis zelf had bijgehouden.

Bij zomervisserij gebruikte ze een ‘singnet’. Het cingen werd gedaan door twee schuiten die een net voortsleepten. Ze vingen zo vooral roggen, schelvis en pietermans. De netten konden een maximum breedte hebben van 250 meter en waren aan elkaar verbonden door pezen.

7.3    Soorten netten

Rond 1900 deed het schrobnet of korre zijn intrede vanuit Engeland. Dit was een trechtervormig net dat over de bodem van de zee gesleept werd. Het net wordt op de voorkant door 2 ijzeren koepels open gehouden. De twee ijzers zijn door een dikke stok of een klein boompje, een korrestok, verenigd. Het onderste deel van de korre wordt op de grond gehouden door een slepende keten of trouville. De korre is door een kabel van 50 tot 200 meter lengte aan het vaartuig verbonden. Voor het inhalen of het vieren van de korre, wordt een kaapstand gebruikt dat op kleine vaartuigen met de hand en op grotere met de ‘donkey’ (stoommotor) in beweging gebracht werd. Devangst bestond uit roggen, platvis en scharren.

Ook garnalen werden met het schrobnet gevangen maar de mazen van het schrobnet waren dan wel een stuk kleiner. De garnalen waren al voor de vangst verkocht aan opkopers en naar de garnalenbakken (meestal achteraan cafés) gebracht om er gespoeld, gezeefd en gekookt te worden. Daarna werden ze in korven van 25kg verdeeld om verzonden te worden, meestal naar Parijs. Later, eens de garnalen moesten 'gemijnd' worden, kookten de Heistse garnaalvangers hun garnalen aan boord.

Vis werd door de vissers in manden aan land gebracht. Meestal met behulp van de zogenaamde 'tunnestok', waarbij de korf aan een stok als last over de schouders van twee vissers verdeeld werd. Bij grote vangsten gebruikte men muilezels met korven of een hondenkar.

In het begin van de 20ste eeuw kwam ook de borden- of plankenvisserij op. Deze visserijtechniek is beter bekend onder zijn Engelse naam ‘trawling’ of trawlvisserij. Het schip trekt één trawlnet vooruit waarbij twee borden of planken de mond van het net open houden door de tegendruk van het water.

7.4    Vismarkt

Tot in het laatste kwart van de 19de eeuw verhandelden de Heistse vissers of reders nog zelf hun vangsten of hielden ze een deel voor eigen gebruik. Wanneer ze hun vis verkochten was dit zonder tussenkomst van een vismijn. Meestal werd hun vangst gekocht door inwoners uit Heist of de directe omgeving. Er waren ook kooplieden die hun slag probeerde te slaan. Dagelijks brachten voerlieden wagens vis naar Brugge. De aan wal gebrachte vis werd gewassen in plaatsen die men ‘vischhuizen’ of ‘vischkoten’ noemde. Een gedeelte werd dan verkocht op de vismarkt in Brugge of vertrok met een barge langs de vaart naar Gent. Daar werd de vis verder doorverkocht. Wekelijks werd de opbrengst van deze verkoop op naam van de reder naar hem gezonden.

7.5    Vismijn

Wanneer in 1901 een vismijn werd opgericht in Heist op het vroegere Schuldhof, palend aan de Garnaalstraat, ging Maarten de belleman rond om aan te kondigen dat er vis in de mijn was aangekomen. Doordat in 1907 de haven van Zeebrugge in gebruik werd genomen, verloor deze mijn zeer snel haar nut en verdween. In 1909 werd in Zeebrugge een houten loods gebouwd die gebruikt werd om vis te verkopen. De eerste echte vismijn in Zeebrugge zou pas na Wereldoorlog I gebouwd worden.

 

Bronnen

 

Bly F. Onze Zeilvischsloepen Beschrijving der zeilvischsloepen in gebruik te Oostende, te Blankenberge en in De Panne, Gent, A. Siffer, 1910, 268 blz

 

Dekeyzer M. Heist van vissersdorp tot badstad. Heist-Duinbergen, Eddy-Druk, 1969, 120 blz.

 

Desnerck G. & R., Vlaamse visserij en vissersvaartuigen deel I. Handzame, Uitgeverij De Wilde, 1974, 256 blz.

 

Dekeyser M. De Heistse visvangst rond 1900. In: Heyst Leeft , 1, 1996, blz 8 - 11.

 

Devent G. De Vlaamse zeevisserij. Brugge, Uitgeverij Marc Van de Wiele, 1989, 208 blz.

 

De Meester V. Ter herinnering aan onze vissers van Heist tot De Panne. Aartrijke, Uitgeverij Emiel Decock, 1990, 319 blz.

 

Meulemeester J.L. Processies in West-Vlaanderen. Inleidende en kritische beschouwingen als bouwstenen voor verder onderzoek. Kortrijk, Heemkunde West-Vlaanderen en Groeninghe, 2015, 398 blz.

 

Neyts D. en F., Dobbelaere W. De Zeebrugse visserij. Brugge, Uitgeverij Marc Van de Wiele pvba, 1984, 160 blz.

 

Steevens I & Van Moerbeke K. Zeevisserij aan de Vlaamse kust. Oostduinkerke, Stichting Kunstboek & NAVIGO, 2013, 192 blz.

 

Vlietinck E. Een Heistse reder vertelt over de evolutie van de zeevisserij te Heist van 1870 tot 1970, in: Rond de poldertorens, 1973, blz. 104 – 109

 

Coornaert M. De oorsprong van Heist en de Heistse visserij, in: Rond de poldertorens, 1993, blz. 122 – 144

 

Deze tentoonstelling is een realisatie van Sincfala, Museum van de Zwinstreek in opdracht van het gemeentebestuur Knokke-Heist met medewerking van Rita Peckelbeen, Rigo Denoyel, Georges Devent, Walter Dobbelaere, Joris Surmont, Chris Vantorre en Johan Hoeberigs.