Beheer van (weg)bermen

Bermen rijk aan fauna en flora

Vlaanderen heeft zoveel wegen dat de totale oppervlakte van alle wegbermen samen bijna zo groot is als de totale oppervlakte erkend natuurreservaat. Ecologisch bermbeheer kan bijgevolg sterk bijdragen tot het natuurbehoud en de instandhouding van veel wilde planten en dieren. In woon- en landbouwgebieden is er vaak geen “ongebruikte” plaats meer om wilde planten spontaan te laten groeien en de bijhorende fauna te laten overleven. Bermen vormen voor hen vaak de laatste uitwijkplaats.

Doordat de wegen heel Vlaanderen doorkruisen vormen de bermen interessante verbindingsassen tussen de verschillende natuurgebieden. Dieren gebruiken bermen om zich te verplaatsen en nieuwe streken te koloniseren. Wegbermen spelen een cruciale rol om de natuurgebieden opnieuw met elkaar te verbinden.

In eentonige grasbermen kunnen dieren, zeker insecten, niet overleven. Zij hebben schrale, kruidenrijke wegbermen nodig. Nu worden bermen niet als natuur aanzien en voor de veiligheid van de weggebruiker is het belangrijk dat de begroeiing laag en niet te eentonig is.

Gelukkig sluiten veiligheid en kruidenrijke wegbermen elkaar niet uit. Door de bodem te verschralen wordt de begroeiing lager en zullen de hogere grassen, die veel voedingsstoffen gebruiken, wijken voor lagere, bloemrijkere beplantingen. Een berm vol bloemen doorbreekt ook de monotonie en verscherpt ongemerkt de aandacht van de weggebruiker. Tenslotte hebben bloemrijke wegbermen een economische meerwaarde. Deze wegbermen moeten beduidend minder gemaaid worden.
(Bron: www.natuurpunt.be)

 

Bermbesluit

Om het waardevol karakter van bermen te bewaren is het bermbesluit in leven geroepen, voluit het Besluit van de Vlaamse Executieve van 27 juni 1984 houdende maatregelen inzake natuurbehoud op de bermen beheerd door publiekrechtelijke rechtspersonen.

Dit besluit is op zich vrij simpel en telt "slechts" 8 artikels. Een 3-tal jaar later heeft de Vlaamse regering een omzendbrief uitgebracht om het bermbesluit te verduidelijken (Omzendbrief van 4 juni 1987 betreffende bermbeheer door publiekrechtelijke rechtspersonen). Deze omzendbrief heeft tot doel bij de aanvang van een nieuw groeiseizoen de aandacht van de publiekrechtelijke rechtspersonen te vestigen op het bermbesluit en nader te informeren over de toepassing.De tekst uit deze omzendbrief staat, samengevat, vermeld tussen onderstaande 8 artikels van het bermbesluit.

  1. Dit besluit is toepasselijk op de bermen gelegen langs wegen, waterlopen en spoorwegen, in zoverre publiekrechtelijke rechtspersonen krachtens enig recht van beheer bevoegd zijn om de handelingen te stellen die bij dit besluit geregeld worden. Onder bermen wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan: bermen en taluds.
    • "Bermen": Het besluit is van toepassing op alle terreinen, die bestaan uit zowel de vlakke als hellende overgangszones tussen de eigenlijke weginfrastructuur en andere gebruiksterreinen en die beheerd worden door een publiekrechtelijk rechtspersoon. Het bermbesluit is eveneens van toepassing op de stroken tussen verschillende rijbanen.
      Wat de bermen langs waterlopen betreft wordt de strook bedoeld, waarop plantengroei voorkomt. Rekening houdend met de wettelijke grondslag van het bermbesluit, dat een uitvoering is van de artikelen 37 en 38 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, is het duidelijk dat het besluit alleen van toepassing is op de bermen gelegen in de landelijke ruimte, met uitsluiting van de gesloten bebouwing. Dit betekent dan ook dat bermen gelegen in de bebouwde delen van gemeenten als zodanig niet onder de toepassing vallen van het besluit. Dit wil niet zeggen dat belangrijke bermen (bv. oevers van rivieren) die doorheen een bebouwd gedeelte lopen niet (overeenkomstig het bermbesluit) kunnen beheerd worden. Ook hier kan de landschappelijke en ecologische funktie van de bermen belangrijk zijn. Het is de taak van de bermbeheerder om, op grond van de ligging in een landelijk of stedelijk gebied, uit te maken welke bermgedeelten in aanmerking kunnen genomen worden in welke niet.
    • "Wegen, waterlopen en spoorwegen": Tot de wegen worden de rij-, voet- en fietswegen gerekend; tot de waterlopen alle rivieren, kanalen, beken, meren en vijvers, die door een publiekrechtelijk rechtspersoon aan enige vorm van beheer onderworpen zijn; tot de spoorwegen behoren naast de eigenlijke spoorgedeelten met bijzondere schouwpaden, ook alle aanhorigheden, zoals emplacementen, enz.
    • "Begraasde bermen": Met begraasde bermen worden de bermen bedoeld die in hoofdzaak begroeid zijn met grassen en kruidachtige vegetaties. Ook dient het mogelijk misverstand uit de weg geruimd dat onder begraasde bermen enkel de bermen zouden gerekend worden die gebruikt worden door allerlei grasetende dieren.
    • "Publiekrechtelijke rechtspersonen": Tot de publiekrechtelijke rechtspersonen worden alle besturen en instellingen gerekend, behorend tot de openbare rechtspersonen (openbare besturen) en tot die organismen waarop de wet van 16 maart 1954 van toepassing is.
  2. Het gebruik van biociden op bermen is verboden.
    • Onder biociden worden alle middelen verstaan om levende wezens te vernietigen : herbiciden, insecticiden, fungiciden, bactericiden, enz. Het verbod tot gebruik van biociden geldt voor alle bermen, ook onbegroeide, voor zover de noodzaak tot gebruik ervan niet kan ingeroepen worden omwille van een ander algemeen belang. Gelet op de nevenwerking van de biociden heeft een publiekrechtelijke rechtspersoon er dan ook alle belang bij om het gebruik ervan te beperken of zo mogelijk volledig stop te zetten. Wat het onderhoud van wegbermen betreft. is het gebruik van biociden veelal niet noodzakelijk. Zelfs voor het vrijhouden van wegranden, verkeers- en signalisatieborden, vangreels en onverharde parkeerstroken en -terreinen is het aangewezen om zoveel mogelijk op mechanische middelen beroep te doen. Het is wenselijk dat bij de aanleg van nieuwe infrastructuren aandacht wordt besteed aan de vereisten van een in de zin van het bermbesluit natuurvriendelijk onderhoud. Voor de bestrijding van bepaalde distelsoorten of van andere organismen die schade kunnen toebrengen aan de menselijke activiteiten, of voor het onder controle houden van de ontwikkeling van netelvegetatie, kan vaak via een aangepast maaibeheer tot een bevredigende oplossing gekomen worden. Het is beter de oorzaak te bestrijden dan de gevolgen.
  3. Begraasde bermen mogen niet vóór 15 juni gemaaid worden. Een eventuele tweede maaibeurt mag slechts uitgevoerd worden na 15 september. Het maaisel dient verwijderd te worden binnen de tien dagen na het maaien.
    • Als begindata voor eventuele maaibeurten worden 15 juni en 15 september vooropgesteld. Half juni is een tijdstip dat voor nagenoeg alle bermen, ongeacht de bodem, als richtdatum kan beschouwd worden. Een laat maaitijdstip laat de in de lente bloeiende planten toe om zaad te vormen. Sommige kennen in het najaar een tweede bloei. In uitzonderlijke gevallen kan, om redenen van natuurbehoud, een afwijking worden verleend wat deze richtdata betreft (artikel 4 van het besluit), aan te vragen bij Agentschap Natuur en Bos (www.natuurenbos.be). Bij de aanvraag moet een plan gevoegd worden (schaal 1/10 000) met aanduiding van de secties waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Tevens dient vermeld te worden op welke motivering inzake natuurbehoud een afwijking wordt gevraagd. Het is belangrijk hier nogmaals te vermelden dat het maaien van wegranden voor het vrijhouden van verkeers- en signalisatieborden buiten de vastgestelde data kan gebeuren om rekening te houden met de opdrachten terzake van bepaalde openbare besturen. Dit betekent dat eventueel een vroeger maaltijdstip kan gekozen worden indien de verkeersveiligheid in het gedrang zou komen.
    • Het afvoeren van maaisel is een belangrijk onderdeel bij het natuurvriendelijk bermbeheer. Het maaisel dient binnen de tien dagen verwijderd te worden. Deze afvoer is noodzakelijk om de bermen voedselarm te maken. Dit laatste is een voorwaarde voor het bekomen van een bloemrijke berm, die nog weinig onderhoud nodig heeft. Het is de bermbeheerder die zal moeten uitmaken welke oplossing daaraan dient te worden gegeven. Ook voor de afvoer van het maaisel kan het zg. "proportionaliteitsbeginsel" worden ingeroepen.
    • Het materieel dat ingezet wordt voor het onderhoud van de bermen is belangrijk evenals de manier waarop gemaaid wordt. Het maaien, zowel manueel als machinaal, dient op zodanige wijze te gebeuren dat de ondergrondse plantendelen en eventuele voorkomende struiken niet beschadigd worden (artikel 5 van het bermbesluit). Regelmatige controle van deze hoogte bij het maaien zelf is aangewezen. De maaimachine voor het bermonderhoud wordt best niet lager dan 10 cm ingesteld.
  4. Door de Vlaamse Minister bevoegd voor natuurbehoud mag worden afgeweken van de bepalingen van artikel 3.
  5. Maaibeheer, hetzij in handwerk, hetzij met machines, dient uitgevoerd te worden zonder de ondergrondse plantendelen en de houtige gewassen te beschadigen.
  6. Overtreding van dit besluit wordt gestraft overeenkomstig de artikelen 44 en 47 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
  7. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1985.
  8. De Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening, Landinrichting en Natuurbehoud is belast met de uitvoering van dit besluit.

 

Bermen in Knokke-Heist

Ook in Knokke-Heist moeten de bestaande bermen niet onderdoen.

Van 1997 tot en met 1999 werd er een inventarisatie uitgevoerd van de gemeentelijke bermen. Deze gegevens vermelden welke plantensoorten er voorkomen, tot welke socio-ecologische groep ze behoren en in hoeverre ze zeldzaam en/of bedreigd zijn. Daarnaast wordt er per straat een korte beschrijving gegeven van de aanwezige berm. De wegberminventarisatie (maart 1999) stelt volgende opmerkelijkheden vast:

  • In Knokke-Heist werden 285 soorten (beter gezegd: taxa) aangetroffen. Dat is ongeveer 22% van het aantal soorten in Vlaanderen en 36% van het aantal soorten dat in de Vlaamse bermen worden terug gevonden (Zwaenepoel, 1998). Vooral de soortenrijke dijken en de overgang van de zandige ondergrond uit de duinenregio naar de kleibodem van de polders in onze gemeente spelen hierin een belangrijke rol. Een derde factor, bepalend in de soortenrijkdom, is het beheer van de bermen.
  • 18 planten staan genoteerd als Rode-lijstsoort.
  • Bekijken we de soortenlijst vanuit de indeling in socio-ecologische groepen (Stieperaere & Fransen, 1982), dan vertoont Knokke-Heist een gelijkaardig beeld met de situatie voor geheel Vlaanderen. Het meest opvallende is dat in Knokke-Heist "zure" soorten ontbreken (klasse 7: heiden, venen) en bossoorten (klasse 9). Zoute milieus (klasse 3) en gestoorde plaatsen (klasse 1) komen dan net iets frequenter voor.
  • In Vlaanderen zijn er 37 verschillende vegetatietypes (dit is een bepaalde samenstelling met karakteristieke soorten, gekoppeld aan een karakteristiek uiterlijk en milieu) beschreven. 21 daarvan komen er voor in Knokke-Heist.

 

Bermbesluit Knokke-Heist

Op basis van de inventarisatie werd er een wegbermbeheerplan (maart 1999) opgesteld. Deze is tot op heden nog steeds van kracht. Het beheerplan vermeldt per straat welk type beheer er dient toegepast te worden. Het gaat enkel om de straten, die niet tot het "verstedelijkt" gebied van Knokke-Heist behoren. Dit komt min of meer overeen met de zone buiten de bebouwde kom. De straten worden gegroepeerd in verschillende bermtypes met elk hun eigen beheer. Dit wordt eveneens samengevat weergegeven op kaart.

 

Meer informatie